Wanneer je hebt uitgewerkt wat studenten moeten doen in termen van prestaties, lijkt het curriculum bijna klaar. In de praktijk blijkt echter dat juist hier vaak onduidelijkheid ontstaat. Studenten voeren opdrachten uit, maar weten niet precies wanneer hun werk goed genoeg is. Docenten beoordelen verschillend en feedback blijft algemeen.
De oorzaak is meestal dat prestaties wel beschrijven wat een student doet, maar niet hoe goed dat moet gebeuren. Daardoor blijft kwaliteit impliciet. In dit thema maak je die stap expliciet. Je leert hoe je prestaties vertaalt naar prestatie-indicatoren die zichtbaar maken wat goed handelen is.
Deze stap is bepalend voor de kwaliteit van het hele curriculum. Als duidelijk is wat goed handelen is, kun je onderwijs ontwerpen waarin studenten dat gedrag oefenen en toetsing ontwikkelen waarin dat gedrag betrouwbaar wordt beoordeeld. Zonder deze stap ontstaat er een losse koppeling tussen doelen, onderwijs en toetsing.
De prestatie in dit thema is dat je per prestatie een set prestatie-indicatoren ontwikkelt die concreet, observeerbaar en toetsbaar zijn. Daarbij maak je zichtbaar hoe gedrag zich ontwikkelt gedurende de opleiding. Zo leg je een basis voor samenhang tussen wat je van studenten vraagt, wat je hen laat oefenen en hoe je hen beoordeelt.
Een prestatie beschrijft wat een student doet. Een prestatie-indicator laat zien wanneer dat goed gebeurt. Dat verschil is essentieel.
Zonder prestatie-indicatoren blijft beoordeling impliciet. Een docent herkent kwaliteit, maar kan niet altijd precies uitleggen waarop die beoordeling gebaseerd is. Studenten krijgen feedback, maar weten niet wat zij moeten verbeteren. Hierdoor ontstaat onzekerheid en soms discussie over beoordelingen.
Prestatie-indicatoren maken verwachtingen concreet. Ze beschrijven welk gedrag zichtbaar moet zijn. Bij een prestatie zoals het schrijven van een adviesrapport gaat het niet alleen om het opleveren van een document, maar om wat daarin zichtbaar is. Bijvoorbeeld dat de student een heldere probleemanalyse maakt, keuzes onderbouwt en conclusies logisch opbouwt.
Dit heeft direct invloed op onderwijs en toetsing. In het onderwijs kun je opdrachten ontwerpen waarin studenten dit gedrag oefenen. In toetsing kun je beoordelen of dit gedrag aanwezig is. Zo ontstaat samenhang tussen wat je vraagt, wat studenten doen en wat je beoordeelt.
In de praktijk merk je dat studenten gerichter werken wanneer deze verwachtingen duidelijk zijn. Vragen zoals “wat moet ik precies doen” verdwijnen, omdat zichtbaar is wat er van hen verwacht wordt.
De grootste uitdaging bij het formuleren van prestatie-indicatoren is het concreet maken van gedrag. In veel curricula worden termen gebruikt zoals begrijpen, analyseren of reflecteren. Deze termen geven richting, maar zijn niet direct zichtbaar.
Voor onderwijs en toetsing moet gedrag observeerbaar zijn. Dat betekent dat je kunt zien wat een student doet, zonder dat je hoeft te interpreteren wat hij bedoelt. Daarom vertaal je abstracte formuleringen naar concreet handelen.
In plaats van te zeggen dat een student inzicht heeft, beschrijf je wat de student doet waaruit dat inzicht blijkt. Bijvoorbeeld dat de student een analyse maakt, keuzes onderbouwt of een plan opstelt.
Deze stap maakt het mogelijk om onderwijs gericht vorm te geven. Als duidelijk is welk gedrag je wilt zien, kun je opdrachten ontwerpen waarin studenten dat gedrag oefenen. Ook wordt toetsing betrouwbaarder, omdat beoordelaars naar hetzelfde gedrag kijken.
Een praktisch voorbeeld laat dit zien. Een prestatie kan beschrijven dat een student kan reflecteren op zijn handelen. Een prestatie-indicator maakt dit concreet door te beschrijven dat de student zijn keuzes toelicht, sterke en zwakke punten benoemt en verbeteracties formuleert.
De uitdaging is om een balans te vinden. Indicatoren moeten concreet zijn, maar niet zo gedetailleerd dat ze het handelen vastzetten. Studenten moeten ruimte houden om hun eigen aanpak te kiezen.
Gedrag ontstaat nooit los van wat een student weet, kan en hoe hij zich opstelt. Daarom is het belangrijk om bij prestatie-indicatoren rekening te houden met kennis, vaardigheden en houding, vaak aangeduid als Body of Knowledge, Skills and Attitudes.
Wanneer je alleen kijkt naar zichtbaar gedrag, bestaat het risico dat belangrijke aspecten van kwaliteit ontbreken. Een student kan bijvoorbeeld een opdracht uitvoeren zonder dat duidelijk is of hij de onderliggende kennis begrijpt of een passende professionele houding laat zien.
Door BOKSA mee te nemen, worden prestatie-indicatoren vollediger. Je kijkt niet alleen naar wat een student doet, maar ook naar de kwaliteit van dat handelen. Kennis komt terug in de inhoud van het werk, vaardigheden in de uitvoering en houding in de manier waarop een student handelt.
In de praktijk betekent dit dat je bij het formuleren van prestatie-indicatoren steeds nagaat welke kennis nodig is, welke vaardigheden zichtbaar moeten zijn en welke houding verwacht wordt. Dit zorgt voor een betere aansluiting op de beroepspraktijk.
Een voorbeeld maakt dit concreet. Bij het voeren van een gesprek speelt kennis een rol, zoals kennis van gesprekstechnieken. Vaardigheden komen terug in het stellen van vragen en het samenvatten van informatie. Houding zie je terug in luisteren, respect tonen en open staan voor de ander. Goede prestatie-indicatoren maken deze combinatie zichtbaar.
Door deze samenhang expliciet te maken, ontstaat een sterkere basis voor onderwijs en toetsing. Studenten ontwikkelen niet alleen vaardigheden, maar ook het begrip en de houding die nodig zijn in de beroepspraktijk.
Niet elke student hoeft hetzelfde te laten zien. Een eerstejaars student werkt anders dan een afstudeerder. Toch worden prestaties vaak op één niveau geformuleerd, waardoor ontwikkeling onzichtbaar blijft.
Prestatie-indicatoren maken deze ontwikkeling zichtbaar. Je kunt verschil maken door te kijken naar hoe complex een taak is, hoeveel zelfstandigheid wordt verwacht en in hoeverre studenten verschillende kennisgebieden combineren.
In het begin werken studenten vaak met duidelijke instructies en eenvoudige situaties. Naarmate zij verder komen, worden opdrachten complexer en wordt meer zelfstandigheid verwacht. Uiteindelijk moeten studenten in staat zijn om zelfstandig te handelen in realistische situaties.
De piramide van Miller helpt om deze ontwikkeling te begrijpen. Studenten bewegen van kennis naar toepassing en uiteindelijk naar handelen in de praktijk. Prestatie-indicatoren moeten aansluiten bij deze ontwikkeling en zichtbaar maken waar een student zich bevindt.
Een concreet voorbeeld maakt dit duidelijk. Een beginnende student voert een gesprek volgens een vast stappenplan. Een gevorderde student past dit plan flexibel toe en speelt in op onverwachte situaties. Dit verschil moet zichtbaar zijn in de indicatoren.
Door dit expliciet te maken, ontstaat een doorlopende leerlijn. Studenten zien hoe zij zich ontwikkelen en docenten kunnen onderwijs en toetsing beter afstemmen.
In de praktijk begin je met bestaande prestaties. Kijk kritisch of duidelijk is wanneer een student het goed doet. Als dat niet zo is, werk je deze prestaties uit in prestatie-indicatoren.
Werk samen met collega’s en bespreek concreet wat je ziet wanneer een student goed presteert. Door dit expliciet te maken, ontstaan vanzelf indicatoren die bruikbaar zijn voor onderwijs en toetsing.
Gebruik voorbeelden uit de beroepspraktijk. Beschrijf wat een professional doet en vertaal dit naar gedrag dat studenten moeten laten zien. Dit zorgt voor betere aansluiting tussen onderwijs en praktijk.
Besteed daarnaast aandacht aan niveau. Bespreek hoe gedrag verandert gedurende de opleiding en zorg dat dit zichtbaar wordt in de indicatoren. Zo ontstaat samenhang tussen prestaties, onderwijs en toetsing.
Kies één prestatie uit je eigen cursus en werk deze uit in prestatie-indicatoren. Beschrijf per indicator wat een student concreet doet en hoe je dit kunt waarnemen. Maak daarnaast zichtbaar hoe dit gedrag verschilt tussen een beginnende en een gevorderde student.
Gebruik de uitgebreide feedbackprompt om je uitwerking te laten analyseren en verbeteren.
Je bent een expert in curriculumontwikkeling en toetsing in het Nederlandse hoger beroepsonderwijs. Je werkt volgens de kaders van de NVAO en bent gewend om curricula te ontwerpen waarin leerresultaten, prestaties, prestatie-indicatoren, onderwijs en toetsing logisch op elkaar aansluiten.
Ik werk aan een curriculumonderdeel en heb een prestatie uitgewerkt in prestatie-indicatoren. Deze indicatoren moeten duidelijk maken wanneer een student het gewenste gedrag laat zien en moeten bruikbaar zijn voor onderwijsontwerp en beoordeling.
Hieronder geef ik mijn uitwerking:
- prestatie
- prestatie-indicatoren
- (optioneel) fase van de student, zoals propedeuse, hoofdfase of afstudeerfase
Lees mijn uitwerking eerst volledig en geef daarna een gestructureerde analyse in samenhangende tekst.
Begin met de prestatie. Leg uit wat een student volgens deze prestatie moet doen en beoordeel of deze voldoende concreet is. Geef aan waar de prestatie nog te abstract is, waar context ontbreekt of waar onduidelijk is wat er precies van de student verwacht wordt.
Ga daarna in op de prestatie-indicatoren. Analyseer per indicator of het gedrag daadwerkelijk observeerbaar is. Let er expliciet op of formuleringen afhankelijk zijn van interpretatie, bijvoorbeeld woorden als “goed”, “voldoende”, “inzicht”, “adequaat” of “professioneel”. Leg uit waarom deze problematisch zijn en wat er concreter nodig is.
Beoordeel vervolgens de samenhang tussen de indicatoren. Geef aan of de indicatoren samen de prestatie volledig afdekken. Benoem duidelijk waar overlap zit, waar onderdelen dubbel voorkomen en waar juist belangrijke elementen ontbreken. Maak expliciet welke onderdelen van de prestatie nog niet zichtbaar zijn in de indicatoren.
Neem daarna de kwaliteit van de indicatoren mee in relatie tot toetsing. Leg uit of deze indicatoren geschikt zijn om betrouwbaar te beoordelen door verschillende docenten. Geef aan waar beoordelaars mogelijk tot verschillende interpretaties komen en waarom dat problematisch is.
Betrek vervolgens het niveau van de student. Analyseer of de prestatie en de indicatoren passen bij de fase van de opleiding. Beschrijf hoe complexiteit, zelfstandigheid en het combineren van kennis en vaardigheden zichtbaar zijn in de indicatoren. Koppel dit expliciet aan de piramide van Miller en leg uit op welk niveau de student hier functioneert. Geef ook aan waar dit niveau niet klopt of onvoldoende zichtbaar is.
Neem daarna expliciet de relatie met kennis, vaardigheden en houding mee. Analyseer of de indicatoren samen recht doen aan:
- de kennis die nodig is
- de vaardigheden die zichtbaar moeten zijn
- de houding of professionele instelling die verwacht wordt
Geef aan waar één van deze onderdelen ontbreekt of onvoldoende zichtbaar is.
Geef vervolgens een scherpe probleemanalyse. Benoem concreet:
- welke formuleringen te abstract zijn
- welke indicatoren niet observeerbaar zijn
- welke indicatoren niet toetsbaar zijn
- waar overlap zit
- wat ontbreekt
- waar het niveau niet klopt
Ga daarna over tot herontwerp. Herschrijf eerst de prestatie als dat nodig is, zodat deze concreet en duidelijk is. Herschrijf vervolgens alle prestatie-indicatoren. Zorg dat:
- elke indicator observeerbaar gedrag beschrijft
- elke indicator toetsbaar is
- de set indicatoren de prestatie volledig afdekt
- overlap wordt verwijderd
- het niveau duidelijk zichtbaar is
- kennis, vaardigheden en houding samen terugkomen
Schrijf de nieuwe indicatoren zo dat ze direct gebruikt kunnen worden in onderwijs en beoordeling.
Sluit af met een korte, onderbouwde beoordeling van de kwaliteit van de nieuwe set. Geef aan of deze geschikt is als basis voor onderwijsactiviteiten en toetsing en wat een logische volgende stap is in het curriculumontwerp.
Gebruik eenvoudige en concrete taal. Vermijd algemene feedback en richt je alleen op verbeteringen die direct toepasbaar zijn.
Beoordelingscriterium – Beschrijving van waarop een prestatie wordt beoordeeld.
Body of Knowledge, Skills and Attitudes – Indeling die beschrijft dat gedrag bestaat uit kennis, vaardigheden en houding.
Complexiteit – De mate waarin een taak meerdere elementen bevat en samenhang vraagt.
Interdisciplinariteit – Het combineren van kennis en vaardigheden uit verschillende vakgebieden binnen één taak of probleem.
Miller piramide – Model dat de ontwikkeling van studenten beschrijft van kennis naar zelfstandig handelen in de praktijk.
Observeerbaar gedrag – Gedrag dat zichtbaar is en objectief kan worden beoordeeld zonder interpretatie.
Prestatie – Beschrijving van wat een student concreet doet of oplevert in een beroepscontext.
Prestatie-indicator – Beschrijving van wanneer een prestatie goed is uitgevoerd op basis van zichtbaar gedrag.
Rubric – Overzicht waarin prestatie-indicatoren worden gekoppeld aan niveaus van beoordeling.
Zelfstandigheid – De mate waarin een student zonder begeleiding taken uitvoert en beslissingen neemt.
Toetsbaarheid – De mate waarin gedrag betrouwbaar en consistent beoordeeld kan worden door verschillende beoordelaars.
Biggs, J., & Tang, C. (2011). Teaching for quality learning at university.
Jisc. (2022). Curriculum design. https://www.jisc.ac.uk
Miller, G. E. (1990). The assessment of clinical skills competence.
Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie. (2018). Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland. https://www.nvao.net
OECD. (2019). Curriculum redesign for student success. https://www.oecd.org
Thijs, A., & Van den Akker, J. (2009). Leerplan in ontwikkeling. https://slo.nl
Deze pagina is gemaakt door Allard Strijker http://www.allardstrijker.nl met ondersteuning van ChatGPT (GPT-5.4 Thinking).