Curriculumontwikkeling in de praktijk: van opleidingskader naar les en toets
Deze cursus is bedoeld voor hbo-docenten die werken aan onderwijsontwerp, cursusverbetering of toetsing, en die weinig voorkennis hebben van AI. Daarom gebruikt de cursus eenvoudige taal, concrete opdrachten en kleine, veilige toepassingen van AI als hulpmiddel.
Aan het einde van de cursus kan de deelnemer:
uitleggen hoe curriculumontwikkeling loopt van landelijk profiel naar les of toets;
leerdoelen, onderwijs en toetsing zichtbaar op elkaar afstemmen;
keuzes in een cursus of les onderbouwen vanuit opleidingskaders en visies;
een cursusprogramma en een onderwijsactiviteit praktisch herontwerpen;
eenvoudige en verantwoorde afspraken maken over het gebruik van AI in onderwijs en toetsing.
De eindprestatie is een praktisch ontwerpdossier voor de eigen onderwijspraktijk. Dat dossier bestaat uit:
een curriculumkaart van de eigen context;
een schema waarin leerdoelen, onderwijs en toetsing op elkaar aansluiten;
een vertaling van landelijk profiel, instellingsvisie en afdelingsvisie naar concrete keuzes;
een ontwerp van een cursusprogramma;
een uitgewerkte les, opdracht of toets;
een korte toelichting op afspraken over AI, privacy, transparantie, begeleiding, beoordeling en verantwoordelijkheden.
Elke deelopdracht hoort bij één thema en wordt later gebruikt in een volgend thema. Daardoor is de samenhang steeds zichtbaar.
Elk thema heeft dezelfde vaste opbouw. Dat maakt de cursus rustig en overzichtelijk.
Start: een korte uitleg in gewone taal, met een voorbeeld uit mbo en hbo.
Verkennen: deelnemers bekijken hun eigen onderwijsmateriaal.
Ontwerpen: deelnemers maken een concrete uitwerking voor hun eigen praktijk.
Delen en bijstellen: deelnemers krijgen feedback van een medecursist of begeleider.
Vastleggen: het resultaat gaat in het ontwerpdossier.
De cursus gebruikt AI alleen als hulpmiddel, niet als vervanging van professioneel oordeel. In elk thema is daarom een kleine, veilige AI-toepassing opgenomen, bijvoorbeeld om tekst te herschrijven, ideeën te ordenen of een eerste opzet te maken. Daarbij gelden steeds dezelfde eenvoudige afspraken:
gebruik geen persoonsgegevens of vertrouwelijke studentinformatie;
laat AI alleen helpen bij een eerste versie;
controleer altijd zelf op inhoud, toon en juistheid;
noteer kort waarvoor AI is gebruikt;
beoordeel studenten nooit alleen op basis van AI-uitvoer.
De cursus werkt toe naar vier kerntaken.
De deelnemer leert kijken naar curriculumontwikkeling op verschillende niveaus.
Deeltaken:
herkennen welke keuzes op welk niveau worden gemaakt;
documenten en afspraken verzamelen die richting geven aan onderwijs;
zien waar overlap, gaten of onduidelijkheid zitten.
De deelnemer leert een logisch geheel te maken van wat studenten moeten leren, hoe zij oefenen en hoe zij laten zien wat zij kunnen.
Deeltaken:
leerdoelen concreet formuleren;
passende leeractiviteiten kiezen;
toetsvormen en beoordelingscriteria laten aansluiten op doelen.
De deelnemer leert brede kaders omzetten in concrete ontwerpkeuzes voor opleiding, cursus en les.
Deeltaken:
landelijke en interne kaders lezen en selecteren;
keuzes maken voor opbouw, inhoud en werkvormen;
samenwerken met collega’s aan een gedeelde lijn.
De deelnemer leert AI op een veilige en duidelijke manier in te zetten bij curriculumontwikkeling en onderwijsontwerp.
Deeltaken:
bepalen wanneer AI wel en niet helpt;
afspraken maken over tools, privacy en transparantie;
begeleiding, beoordeling en verantwoordelijkheden helder houden.
In dit thema krijgen deelnemers overzicht. Ze zien hoe keuzes op het ene niveau doorwerken in het volgende niveau. Het doel is dat een docent niet alleen naar de eigen les kijkt, maar ook begrijpt waar die les vandaan komt.
Na dit thema kan de deelnemer:
de verschillende curriculumniveaus benoemen en van elkaar onderscheiden;
uitleggen hoe een keuze op opleidingsniveau invloed heeft op een cursus of les;
een eigen onderwijsactiviteit plaatsen in het grotere geheel.
Dit thema werkt vooral aan kerntaak 1. De nadruk ligt op herkennen, verzamelen en verbinden.
De deelnemer maakt een curriculumkaart van de eigen praktijk. Op die kaart staan:
landelijk opleidingsprofiel;
instellingsvisie;
afdelingsvisie;
opleidingsprogramma;
cursusprogramma;
onderwijsactiviteit, zoals een les, opdracht of toets.
Bij elk niveau noteert de deelnemer in één of twee zinnen wat dit niveau betekent voor het eigen onderwijs.
De uitleg laat zien dat curriculumontwikkeling niet begint bij de les, maar hogerop. Een docent ontwerpt niet in een leegte. Een les over rapporteren, ontwerpen of klinisch redeneren staat altijd in relatie tot grotere afspraken.
Een voorbeeld uit het mbo: in een opleiding Verpleegkunde staat in het kwalificatiedossier dat studenten veilig en verantwoord moeten handelen. Dat werkt door naar het onderwijsprogramma, naar een cursus over medicatieveiligheid en uiteindelijk naar een praktijktoets.
Een voorbeeld uit het hbo: in een opleiding ICT staat in het landelijk profiel dat studenten moeten kunnen analyseren, ontwerpen en verantwoorden. Dat werkt door naar de opbouw van de opleiding, naar een cursus softwareontwerp en vervolgens naar een projectopdracht met beoordelingscriteria.
De deelnemer bekijkt een korte kennisclip en werkt daarna met een invulblad. Vervolgens kiest de deelnemer één eigen cursus en beschrijft hoe die cursus verbonden is met de hogere niveaus. In een online uitwisselruimte vergelijken deelnemers hun curriculumkaart met die van anderen.
De feedback is ontwikkelingsgericht. De begeleider of medecursist kijkt of:
alle niveaus zichtbaar zijn;
de verbanden logisch zijn;
de beschrijvingen concreet genoeg zijn.
Deze prestatie wordt later opnieuw gebruikt in thema 6, 7 en 8.
De deelnemer kan AI gebruiken om een eerste samenvatting te maken van een opleidingsdocument. Daarna controleert de deelnemer zelf of de samenvatting klopt en past bij de eigen context.
In dit thema staat de kern van goed onderwijsontwerp centraal: wat moeten studenten leren, hoe oefenen ze dat en hoe tonen ze dat aan?
Na dit thema kan de deelnemer:
leerdoelen concreet formuleren in begrijpelijke taal;
leeractiviteiten kiezen die echt helpen om die doelen te bereiken;
een toets of beoordeling kiezen die past bij die doelen.
Dit thema werkt vooral aan kerntaak 2. De nadruk ligt op formuleren, kiezen en onderbouwen.
De deelnemer maakt een samenhangschema voor één eigen cursus of onderwijseenheid. Daarin staan per onderdeel:
leerdoel;
leeractiviteit;
toets of beoordelingsvorm;
onderbouwing van de keuze.
Veel onderwijsproblemen ontstaan hier. Een doel vraagt bijvoorbeeld om analyseren, maar de toets vraagt alleen om onthouden. Of studenten krijgen een complexe opdracht zonder voldoende oefening.
De cursus laat eenvoudige voorbeelden zien.
Mbo-voorbeeld: een leerdoel is “de student voert een intakegesprek volgens een vast stappenplan”. Dan past een oefengesprek met feedback beter dan alleen een kennisquiz.
Hbo-voorbeeld: een leerdoel is “de student onderbouwt een ontwerpkeuze met literatuur en praktijkgegevens”. Dan past een ontwerpopdracht met schriftelijke verantwoording beter dan alleen een meerkeuzetoets.
De deelnemer kiest drie leerdoelen uit de eigen cursus. Per leerdoel beschrijft de deelnemer:
wat een student zichtbaar moet doen;
welke oefening daarbij past;
hoe dat beoordeeld wordt.
Daarna vergelijkt de deelnemer de eigen uitwerking met twee uitgewerkte voorbeelden uit mbo en hbo.
De feedback richt zich op drie vragen:
Is het leerdoel concreet?
Krijgen studenten genoeg oefenkansen?
Laat de toets echt zien of het doel behaald is?
Dit schema vormt de ruggengraat van het verdere ontwerpdossier.
AI kan helpen om vage leerdoelen concreter te maken. De deelnemer laat AI bijvoorbeeld drie alternatieven geven en kiest daarna zelf de beste versie. De deelnemer controleert altijd of het niveau en de inhoud kloppen.
In dit thema leren deelnemers werken met het landelijk opleidingsprofiel als bron voor ontwerpkeuzes. Niet om tekst over te nemen, maar om richting te bepalen.
Na dit thema kan de deelnemer:
in een landelijk opleidingsprofiel de onderdelen vinden die relevant zijn voor het eigen onderwijs;
een brede beschrijving vertalen naar concrete leerdoelen of programmaonderdelen;
uitleggen waarom een cursus of toetsing past binnen het profiel.
Dit thema werkt aan kerntaak 1 en 3. De nadruk ligt op selecteren en vertalen.
De deelnemer maakt een vertaaltabel landelijk profiel naar eigen onderwijs. In die tabel staat:
welk onderdeel uit het profiel centraal staat;
wat dat betekent voor de opleiding of cursus;
hoe dit zichtbaar wordt in onderwijs en toetsing.
Docenten ervaren landelijke profielen soms als ver weg van de dagelijkse praktijk. Daarom laat dit thema zien hoe je van een brede formulering naar een bruikbare ontwerpkeuze komt.
Mbo-voorbeeld: vanuit een kwalificatiedossier kan een opleiding kiezen om beroepscommunicatie vaker te oefenen in realistische situaties.
Hbo-voorbeeld: vanuit een landelijk profiel kan een opleiding kiezen om onderzoekend vermogen niet alleen in de afstudeerfase, maar ook eerder in het programma terug te laten komen.
De deelnemer markeert in het profiel de drie onderdelen die het belangrijkst zijn voor de eigen cursus of rol. Daarna vertaalt de deelnemer die naar concreet onderwijs: wat moeten studenten doen, waar oefenen ze dat en hoe wordt het zichtbaar in beoordeling?
De feedback let op drie dingen:
is de keuze uit het profiel relevant;
is de vertaling concreet;
wordt zichtbaar hoe het profiel doorwerkt in onderwijs en toetsing?
Deze prestatie voedt vooral thema 6 en 7.
AI kan helpen om lange profielteksten terug te brengen tot kernpunten. Daarna maakt de deelnemer zelf de vertaalslag naar het eigen onderwijs.
In dit thema leren deelnemers een instellingsvisie praktisch lezen. Niet als algemene tekst, maar als bron voor concrete ontwerpkeuzes.
Na dit thema kan de deelnemer:
benoemen welke onderdelen uit de instellingsvisie relevant zijn voor het eigen onderwijs;
brede uitspraken omzetten in concrete ontwerpkeuzes;
uitleggen wat de instellingsvisie betekent voor begeleiding, toetsing en leeractiviteiten.
Dit thema werkt vooral aan kerntaak 3 en 4. De nadruk ligt op vertalen en keuzes maken.
De deelnemer maakt een ontwerpkaart instellingsvisie. Daarop staan vijf concrete keuzes voor het eigen onderwijs, bijvoorbeeld over:
praktijkgericht leren;
samenwerken;
flexibiliteit;
inclusie;
digitale hulpmiddelen;
gebruik van AI.
Een instellingsvisie zegt vaak iets over hoe de instelling wil opleiden. Dat krijgt pas waarde als een docent er onderwijskeuzes aan koppelt.
Voorbeeld: als de visie zegt dat studenten leren in contact met de beroepspraktijk, dan moet dat zichtbaar worden in opdrachten, cases, gastsprekers of praktijkproducten.
Voorbeeld: als de visie zegt dat de instelling verantwoord wil omgaan met digitale hulpmiddelen, dan moeten docenten praktische afspraken maken over welke tools gebruikt worden, hoe studenten daar open over zijn en wat wel of niet mag in toetsing.
De deelnemer leest een korte versie van de instellingsvisie en vult daarna een ontwerpkaart in. Per gekozen onderdeel noteert de deelnemer:
wat dit betekent voor studenten;
wat dit betekent voor de docent;
wat dit betekent voor het onderwijsontwerp.
De feedback kijkt of de gekozen ontwerpkeuzes echt uit de visie volgen en of ze uitvoerbaar zijn in de praktijk.
AI kan worden gebruikt om voorbeelden te bedenken van hoe een visie zichtbaar kan worden in een les of opdracht. De deelnemer beoordeelt daarna zelf welke voorbeelden passen bij de eigen opleiding.
In dit thema staat de vertaling naar de eigen afdeling of het eigen team centraal. Hier gaat het om werkbare afspraken in plaats van mooie woorden.
Na dit thema kan de deelnemer:
benoemen welke onderwijskeuzes binnen de afdeling of het team al zijn afgesproken;
zien waar verschillen of onduidelijkheid zitten;
meewerken aan heldere afspraken over onderwijs, toetsing en AI.
Dit thema werkt vooral aan kerntaak 3 en 4. De nadruk ligt op afstemmen en vastleggen.
De deelnemer maakt een teamkaart met praktische afspraken over:
leerdoelen en taalgebruik;
begeleiding en feedback;
toetsing en beoordeling;
gebruik van tools;
privacy;
transparantie naar studenten;
verantwoordelijkheden van docent en student.
Op afdelingsniveau wordt duidelijk hoe collega’s samen een lijn vormen. Zonder zulke afspraken krijgen studenten te maken met tegenstrijdige verwachtingen.
Een bruikbaar voorbeeld is de afspraak dat in alle cursussen zichtbaar is wat studenten zelfstandig mogen doen met AI, wanneer zij dit moeten vermelden en hoe docenten daarop reageren in feedback en beoordeling.
Een ander voorbeeld is de afspraak dat elke cursus dezelfde basisstructuur gebruikt voor leerdoelen, opdrachten en beoordelingscriteria. Dat helpt studenten enorm, zowel in mbo als hbo.
De deelnemer maakt eerst een korte scan: welke afspraken zijn er al, welke ontbreken, welke zijn onduidelijk? Daarna werkt de deelnemer één set praktische afspraken uit voor het eigen team of cursuscluster.
De feedback let op bruikbaarheid. De vraag is niet of de tekst mooi is, maar of collega’s en studenten ermee kunnen werken.
AI kan helpen om losse notities om te zetten in een eerste concept van teamafspraken. Daarna herschrijft de deelnemer dit in duidelijke taal en controleert of het past bij de eigen afdeling.
In dit thema zoomen deelnemers uit naar het grotere programma. Ze kijken naar opbouw, spreiding en samenhang.
Na dit thema kan de deelnemer:
de plaats van een cursus binnen het opleidingsprogramma uitleggen;
signaleren waar overlap, gaten of een onlogische volgorde zitten;
voorstellen doen om de opbouw van het programma te verbeteren.
Dit thema werkt aan kerntaak 1 en 3. De nadruk ligt op analyseren en verbeteren.
De deelnemer maakt een programma-analyse met:
een overzicht van waar belangrijke doelen in het programma terugkomen;
een korte analyse van overlap, gaten en opbouw;
twee concrete verbetervoorstellen.
Een goed opleidingsprogramma bouwt logisch op. Studenten oefenen basisvaardigheden eerst klein en later complexer. Ze krijgen niet drie keer hetzelfde zonder verdieping, maar ook geen grote eindopdracht zonder voorbereiding.
Mbo-voorbeeld: gesprekken oefenen eerst met een script, later in een realistische beroepssituatie.
Hbo-voorbeeld: onderzoekend werken start met kleine analyse-opdrachten en groeit door naar een beroepsproduct met onderbouwing.
De deelnemer vult een programmalijn in. Daarin staat waar bepaalde kennis, vaardigheden en beroepshandelingen aan bod komen. Daarna beschrijft de deelnemer wat beter kan in opbouw of spreiding.
De feedback kijkt of de analyse laat zien hoe het programma zich ontwikkelt in de tijd en of de voorstellen haalbaar zijn.
AI kan helpen om patronen te herkennen in een lange lijst cursusbeschrijvingen. De deelnemer gebruikt dit alleen als startpunt en controleert de conclusie met echte documentatie en eigen kennis van het programma.
In dit thema werken deelnemers van programma naar cursus. Ze maken een praktisch en uitvoerbaar cursusontwerp.
Na dit thema kan de deelnemer:
een cursus logisch opbouwen vanuit leerdoelen en programma-eisen;
een goede volgorde kiezen van uitleg, oefening, feedback en toetsing;
een cursusprogramma maken dat duidelijk is voor studenten en collega’s.
Dit thema werkt vooral aan kerntaak 2 en 3. De nadruk ligt op ontwerpen en uitwerken.
De deelnemer maakt een cursusontwerp met:
korte cursusbeschrijving;
leerdoelen;
opbouw per onderdeel;
leeractiviteiten;
toetsing;
feedbackmomenten;
afspraken over het gebruik van AI.
De cursus laat zien hoe je voorkomt dat een cursus een losse verzameling lessen wordt. Alles moet ergens naartoe werken. Studenten moeten weten wat zij leren, waarom dat belangrijk is en hoe zij laten zien dat zij het kunnen.
Een goede cursusopbouw kan bijvoorbeeld bestaan uit:
oriënteren op de taak;
kleine oefening;
verdiepende opdracht;
feedback;
toepassing in een beroepscontext;
toets of inlevermoment.
De deelnemer gebruikt een vast ontwerpsjabloon. Daarmee werkt de deelnemer één eigen cursus uit of herontwerpt een bestaande cursus.
De feedback let op samenhang, haalbaarheid en duidelijkheid voor studenten. Ook wordt gekeken of de AI-afspraken helder zijn: wat mogen studenten doen, wat moeten ze vermelden en hoe gaat de docent daarmee om?
AI kan helpen om een ruwe cursusopzet overzichtelijk te ordenen. De inhoudelijke keuzes blijven altijd van de docent.
In dit laatste thema komt alles samen. De deelnemer werkt één les, opdracht of toets helemaal uit.
Na dit thema kan de deelnemer:
een onderwijsactiviteit ontwerpen die past binnen cursus en programma;
duidelijke instructies, begeleiding en feedback opnemen;
beoordelingscriteria of succescriteria begrijpelijk formuleren.
Dit thema werkt aan alle vier de kerntaken. Hier wordt zichtbaar of de deelnemer het geheel kan vertalen naar concreet onderwijs.
De deelnemer maakt een uitgewerkte onderwijsactiviteit. Dat kan zijn:
een online of fysieke les;
een beroepsopdracht;
een formatieve toets;
een summatieve toets;
een combinatie van les en toets.
De uitwerking bevat:
doel van de activiteit;
plaats in de cursus;
instructie voor studenten;
stappenplan voor uitvoering;
feedbackvorm;
beoordeling of succescriteria;
praktische AI-afspraken.
Dit thema laat zien dat een goede les of toets altijd sporen draagt van de hogere niveaus. De activiteit past bij het profiel, de visie, het programma en de cursus. Daardoor is de kwaliteit beter te verantwoorden.
Mbo-voorbeeld: een praktijkles waarin studenten een klantgesprek voeren, feedback krijgen met een observatieformulier en daarna een verbeteractie formuleren.
Hbo-voorbeeld: een toetsopdracht waarin studenten een ontwerpbeslissing onderbouwen met literatuur, praktijkgegevens en een korte reflectie op eigen gebruik van AI.
De deelnemer kiest één activiteit uit de eigen praktijk en werkt die volledig uit. Daarna geeft de deelnemer een korte toelichting: waarom past deze activiteit bij het grotere curriculum?
De feedback is hier deels formatief en deels afrondend. Er wordt gekeken naar:
duidelijke koppeling met leerdoelen;
passende begeleiding en feedback;
heldere beoordeling;
zichtbare verbinding met eerdere thema’s;
verantwoorde inzet van AI.
AI kan helpen bij het herschrijven van instructies in duidelijke studenttaal. De docent controleert altijd zelf of de instructie precies zegt wat bedoeld wordt.
De cursus is zo ontworpen dat elk thema voortbouwt op het vorige.
In thema 1 maakt de deelnemer zichtbaar hoe de niveaus samenhangen.
In thema 2 wordt de kern van onderwijsontwerp helder: doelen, onderwijs en toetsing.
In thema 3, 4 en 5 leert de deelnemer brede kaders praktisch vertalen.
In thema 6 kijkt de deelnemer naar de lijn in het opleidingsprogramma.
In thema 7 wordt dat vertaald naar een concreet cursusprogramma.
In thema 8 wordt alles zichtbaar in een les, opdracht of toets.
Zo ontstaat stap voor stap een compleet ontwerpdossier dat direct inzetbaar is.
De toetsing past bij het doel van de cursus: niet alleen kennis laten zien, maar vooral kunnen ontwerpen.
Tijdens de cursus krijgt de deelnemer per thema feedback op de deelprestatie. De feedback komt van:
een medecursist;
de begeleider;
een korte zelfcheck.
Aan het einde levert de deelnemer het ontwerpdossier in. Dat dossier wordt beoordeeld op vijf punten:
de samenhang tussen curriculumniveaus is zichtbaar;
leerdoelen, onderwijs en toetsing passen bij elkaar;
keuzes zijn concreet en bruikbaar voor de praktijk;
het ontwerp past bij profiel, visie en programma;
afspraken over AI zijn duidelijk, veilig en uitvoerbaar.
Een korte mondelinge toelichting of online pitch kan worden toegevoegd. Daarin licht de deelnemer toe welke keuze het meest is veranderd tijdens de cursus en waarom.
De begeleider helpt deelnemers niet vooral met theorie, maar met scherpe ontwerpvragen, zoals:
Wat moeten studenten hier precies leren?
Waar oefenen ze dat?
Hoe zie je terug dat het gelukt is?
Welke afspraak over AI moet hier echt duidelijk zijn?
Past deze keuze bij de opleiding en bij de studentgroep?
Voor snelle inzet in een leeromgeving is het handig om per thema één vast invulformat te maken:
curriculumkaart;
samenhangschema doelen, onderwijs en toetsing;
vertaaltabel profiel naar onderwijs;
ontwerpkaart instellingsvisie;
teamkaart met praktische afspraken;
programma-analyse;
cursusontwerp;
format voor les, opdracht of toets.
Deze formats maken de cursus direct bruikbaar voor docenten en onderwijskundigen.