Een curriculum krijgt pas betekenis wanneer het zichtbaar wordt in concrete cursussen, lessen en opdrachten. Tot dat moment blijft het ontwerp abstract. In de praktijk ligt hier een van de grootste uitdagingen voor docenten. Er is vaak wel een goed doordacht curriculum op papier, maar de vertaling naar onderwijsactiviteiten blijft impliciet of versnipperd. Daardoor ontstaat opnieuw het risico op misalignment: studenten doen in de les iets anders dan wat uiteindelijk van hen verwacht wordt in prestaties en toetsing.
De kern van dit thema is daarom de vertaalslag van ontwerp naar uitvoering. Hoe zorg je ervoor dat leerresultaten, prestaties en prestatie-indicatoren daadwerkelijk terugkomen in wat studenten doen tijdens een cursus? Deze vraag raakt direct aan curriculumtheorie. In het curriculair spinnenweb wordt benadrukt dat doelen, inhoud, leeractiviteiten en evaluatie met elkaar verbonden moeten zijn. Wanneer leeractiviteiten niet expliciet voortkomen uit doelen en toetsing, valt de samenhang weg (Thijs & Van den Akker, 2009).
Binnen het hbo speelt daarnaast het principe van beroepsgericht leren. Studenten leren niet alleen door kennis op te doen, maar vooral door te handelen, te oefenen en te reflecteren. Dat betekent dat onderwijsactiviteiten zo ontworpen moeten worden dat zij studenten stap voor stap voorbereiden op de prestaties die zij moeten laten zien. Tegelijkertijd moeten deze activiteiten passen bij het niveau van de student. In de propedeuse is er meer structuur en begeleiding nodig, terwijl in de hoofdfase en afstudeerfase zelfstandigheid en complexiteit toenemen.
De piramide van Miller helpt om deze ontwikkeling concreet te maken. Onderwijs begint vaak bij kennis en begrip, maar moet uiteindelijk leiden tot handelen in de praktijk. Dat betekent dat onderwijsactiviteiten niet alleen gericht zijn op weten, maar ook op toepassen en doen (Miller, 1990). In een goed ontworpen cursus zie je deze opbouw terug.
Tot slot moet ook op dit niveau de aansluiting met het landelijk opleidingsprofiel en de visie van de opleiding en instelling zichtbaar blijven. Een cursus is geen losstaand onderdeel, maar een bouwsteen binnen een groter geheel. Keuzes in werkvormen, opdrachten en begeleiding moeten dus passen binnen deze bredere context. Alleen dan ontstaat een curriculum dat niet alleen samenhangend is, maar ook herkenbaar en verantwoord (Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, 2018).
De deelnemer ontwerpt een cursus of onderwijsactiviteit waarin leerresultaten, prestaties, prestatie-indicatoren en toetsing concreet worden vertaald naar samenhangende leeractiviteiten die passen bij het niveau van de student.
Een sterke uitwerking herken je doordat onderwijsactiviteiten direct voortkomen uit de prestaties en prestatie-indicatoren. Studenten oefenen aantoonbaar het gedrag dat later beoordeeld wordt. Daarnaast is zichtbaar dat de activiteiten aansluiten bij het niveau van de student, waarbij de complexiteit toeneemt en de begeleiding afneemt naarmate de opleiding vordert. Ook is duidelijk hoe de activiteiten bijdragen aan het bereiken van het leerresultaat en hoe zij passen binnen het landelijk opleidingsprofiel en de visie van de opleiding en de instelling.
Het ontwerpen van onderwijs begint niet bij werkvormen, maar bij de vraag wat een student moet leren doen. Prestaties en prestatie-indicatoren vormen hiervoor het uitgangspunt. Zij beschrijven immers wat een student moet laten zien en waaraan kwaliteit wordt herkend. De volgende stap is om te bepalen welke leeractiviteiten nodig zijn om dit gedrag te ontwikkelen.
In de praktijk betekent dit dat je terugredeneert. Wanneer een student bijvoorbeeld een analyse moet opleveren, moet hij eerst leren hoe hij relevante informatie selecteert, hoe hij deze structureert en hoe hij deze onderbouwt met theorie. Onderwijsactiviteiten moeten deze stappen expliciet ondersteunen. Dit kan door studenten eerst te laten oefenen met kleine, gestructureerde opdrachten en deze vervolgens steeds complexer te maken.
Deze aanpak sluit aan bij de gedachte dat leren een proces is van opbouw en herhaling. Studenten ontwikkelen vaardigheden door deze meerdere keren toe te passen in verschillende contexten. Het is daarom belangrijk dat leeractiviteiten niet op zichzelf staan, maar onderdeel zijn van een leerlijn. Binnen het curriculair spinnenweb betekent dit dat leeractiviteiten direct verbonden zijn met doelen en evaluatie (Thijs & Van den Akker, 2009).
Een belangrijk aandachtspunt is dat werkvormen niet leidend zijn. Het gaat niet om de vraag of je een discussie, opdracht of presentatie gebruikt, maar om de vraag of deze werkvorm bijdraagt aan het ontwikkelen van de gewenste prestatie. Door steeds vanuit prestaties te redeneren, voorkom je dat onderwijsactiviteiten willekeurig worden gekozen.
Onderwijsactiviteiten moeten aansluiten bij het niveau van de student. Dit betekent dat zij niet alleen inhoudelijk verschillen, maar ook in de mate van complexiteit, zelfstandigheid en interdisciplinariteit.
In het begin van de opleiding werken studenten vaak met duidelijke instructies en gestructureerde opdrachten. Zij leren basisvaardigheden en passen deze toe in overzichtelijke situaties. Onderwijsactiviteiten zijn hier sterk gestuurd en gericht op het opbouwen van vertrouwen en begrip.
In latere fases verandert dit. Studenten krijgen meer vrijheid om eigen keuzes te maken en werken met minder gestructureerde opdrachten. Zij moeten zelf bepalen welke informatie relevant is en hoe zij deze toepassen. Onderwijsactiviteiten worden daardoor minder voorspelbaar en vragen meer initiatief van de student.
In de afstudeerfase werken studenten aan complexe vraagstukken die sterk lijken op de beroepspraktijk. Zij moeten verschillende perspectieven combineren, keuzes onderbouwen en zelfstandig handelen. Onderwijsactiviteiten ondersteunen dit door ruimte te geven voor eigen invulling en door studenten te confronteren met realistische situaties.
Deze ontwikkeling sluit aan bij de piramide van Miller. Onderwijs beweegt zich van kennis en begrip naar toepassing en uiteindelijk naar handelen. Een goed ontworpen cursus maakt deze ontwikkeling zichtbaar door activiteiten te kiezen die passen bij het gewenste niveau (Miller, 1990).
Onderwijsactiviteiten staan niet op zichzelf, maar vormen een voorbereiding op toetsing. Dit betekent dat wat studenten doen in de les direct moet aansluiten op wat later van hen verwacht wordt. Wanneer dit niet het geval is, ontstaat er een kloof tussen leren en beoordelen.
Feedback speelt hierin een cruciale rol. Door studenten tijdens het leerproces gerichte feedback te geven op basis van prestatie-indicatoren, krijgen zij inzicht in hun ontwikkeling. Zij weten waar zij staan en wat zij nog moeten verbeteren. Dit maakt leren doelgerichter en effectiever.
Formatieve momenten zijn hierbij essentieel. Dit zijn momenten waarop studenten oefenen en feedback krijgen zonder dat er direct een beoordeling aan gekoppeld is. Deze momenten bereiden studenten voor op summatieve toetsing, waarin wordt vastgesteld of zij het gewenste niveau hebben bereikt.
De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie benadrukt dat toetsing niet alleen betrouwbaar moet zijn, maar ook moet bijdragen aan leren. Dit betekent dat feedback en beoordeling met elkaar verbonden moeten zijn (Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, 2018).
Daarnaast moeten keuzes in onderwijsactiviteiten passen bij het landelijk opleidingsprofiel en de visie van de opleiding en instelling. Wanneer een opleiding bijvoorbeeld inzet op interdisciplinair werken, moet dit terugkomen in opdrachten en samenwerking. Wanneer een instelling nadruk legt op praktijkgericht leren, moeten onderwijsactiviteiten aansluiten bij realistische situaties.
In de praktijk begint dit proces met het expliciet maken van de relatie tussen prestaties en leeractiviteiten. Door deze relatie zichtbaar te maken, wordt duidelijk wat studenten moeten oefenen en waarom. Het helpt om hierbij steeds te kijken naar de vraag welk gedrag ontwikkeld moet worden en welke activiteit daarbij past.
Daarnaast is het belangrijk om bewust te ontwerpen op niveau. Door vooraf na te denken over de complexiteit van opdrachten en de mate van begeleiding, voorkom je dat activiteiten te makkelijk of te moeilijk zijn. Dit draagt bij aan een geleidelijke opbouw van het leerproces.
Tot slot is het waardevol om onderwijsactiviteiten te verbinden met feedback en toetsing. Door dezelfde prestatie-indicatoren te gebruiken in alle fasen van het leerproces, ontstaat consistentie en duidelijkheid voor studenten.
Ontwerp een onderwijsactiviteit waarin studenten oefenen met een specifieke prestatie. Beschrijf hoe deze activiteit aansluit op de prestatie-indicatoren en hoe feedback wordt ingezet om studenten te ondersteunen in hun ontwikkeling. Geef daarnaast aan hoe de activiteit past bij het niveau van de student en hoe deze voorbereidt op de toetsing.
Je bent een expert in curriculumontwerp in het Nederlandse hbo.
Ik wil een cursus of onderwijsactiviteit ontwerpen op basis van:
- leerresultaten
- prestaties
- prestatie-indicatoren
- toetsing
- niveau (propedeuse, hoofdfase of afstudeerfase)
- landelijk opleidingsprofiel
- opleidingsvisie
- instellingsvisie
Jouw taak is om mijn ontwerp te analyseren en te verbeteren.
Werk volgens deze stappen:
Analyseer eerst de aansluiting:
- sluiten de leeractiviteiten aan op de prestaties en indicatoren
Analyseer daarna het niveau:
- past de complexiteit bij de fase
- hoeveel zelfstandigheid wordt gevraagd
- is er sprake van interdisciplinariteit
- koppel dit aan de piramide van Miller
Controleer vervolgens de samenhang:
- bereiden de activiteiten voor op de toetsing
- wordt geoefend wat beoordeeld wordt
Controleer daarna de context:
- sluit het aan op het landelijk opleidingsprofiel
- past het bij de opleidingsvisie
- past het bij de instellingsvisie
Benoem vervolgens problemen:
- activiteiten sluiten niet aan op prestaties
- niveau klopt niet
- geen voorbereiding op toetsing
Geef daarna concrete verbeteringen:
- herschrijf de leeractiviteiten
- maak de samenhang expliciet
Sluit af met een beoordeling van de kwaliteit en bruikbaarheid.
Wees kritisch, concreet en direct toepasbaar.
Miller, G. E. (1990). The assessment of clinical skills competence performance. Academic Medicine, 65(9), S63–S67.
Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie. (2018). Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland.
Thijs, A., & Van den Akker, J. (2009). Leerplan in ontwikkeling. SLO.
Vereniging Hogescholen. (2021). Handreiking opbouw landelijk opleidingsprofiel.
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. (2024).
Deze pagina is gemaakt door Allard Strijker http://www.allardstrijker.nl met ondersteuning van ChatGPT (GPT-5.3).
Je bent een expert in curriculumontwerp en didactiek in het Nederlandse hoger beroepsonderwijs (hbo), met kennis van:
- curriculumtheorie (Thijs & Van den Akker, curriculair spinnenweb)
- toetsing en constructive alignment
- NVAO beoordelingskader
- Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)
- piramide van Miller
- ontwerp van cursussen en onderwijsactiviteiten
Je taak is NIET om nieuwe inhoud te bedenken, maar om een bestaand cursusontwerp grondig te analyseren, te beoordelen en te verantwoorden.
-------------------------
CONTEXT
-------------------------
Het ontwerp bevat:
- leerresultaten
- prestaties
- prestatie-indicatoren
- onderwijsactiviteiten (lessen, opdrachten)
- toetsing
- niveau (propedeuse, hoofdfase of afstudeerfase)
Daarnaast kan informatie gegeven zijn over:
- landelijk opleidingsprofiel
- opleidingsvisie
- instellingsvisie
Als deze informatie ontbreekt:
- benoem expliciet wat ontbreekt
- geef aan waarom dit noodzakelijk is voor een volledige beoordeling
-------------------------
DOEL
-------------------------
Analyseer of de onderwijsactiviteiten:
- daadwerkelijk leiden tot de prestaties
- aansluiten op de prestatie-indicatoren
- passen bij het juiste niveau
- voorbereiden op toetsing
- passen binnen profiel en visies
-------------------------
WERKWIJZE (VERPLICHT)
-------------------------
Stap 1 – Samenvatting
Geef een korte, feitelijke beschrijving van:
- wat studenten moeten leren
- wat zij moeten laten zien
- hoe het onderwijs is ingericht
Stap 2 – Analyse van de leeractiviteiten
Beoordeel:
- sluiten de activiteiten logisch aan op de prestaties
- oefenen studenten daadwerkelijk het gedrag dat beoordeeld wordt
Gebruik concrete voorbeelden uit de tekst.
Stap 3 – Analyse van alignment
Beoordeel de samenhang tussen:
- leerresultaten
- prestaties
- prestatie-indicatoren
- onderwijsactiviteiten
- toetsing
Geef expliciet aan waar:
- alignment aanwezig is
- misalignment optreedt
Verwijs naar (Thijs & Van den Akker, 2009)
Stap 4 – Niveaudifferentiatie (VERPLICHT)
Analyseer:
- past het niveau bij de fase (propedeuse, hoofdfase, afstudeerfase)
- hoe zichtbaar zijn:
- complexiteit
- zelfstandigheid
- interdisciplinariteit
Koppel expliciet aan:
- piramide van Miller (1990)
Geef aan:
- of het niveau correct is
- waar het onvoldoende zichtbaar is
Stap 5 – Relatie met toetsing
Beoordeel:
- bereiden de leeractiviteiten voor op de toetsing
- wordt geoefend wat wordt beoordeeld
- is de overgang van formatief naar summatief logisch
Verwijs naar NVAO (2018)
Stap 6 – Controle landelijk opleidingsprofiel
Analyseer:
- of de leeractiviteiten aansluiten op het beroepsbeeld
- of relevante elementen zichtbaar zijn
Als profiel ontbreekt:
- benoem expliciet dat dit niet controleerbaar is
Stap 7 – Controle opleidingsvisie
Beoordeel:
- of keuzes in didactiek en opdrachten passen bij de visie
- of accenten (bijv. onderzoekend leren, praktijkgerichtheid) zichtbaar zijn
Stap 8 – Controle instellingsvisie
Analyseer:
- of bredere keuzes zichtbaar zijn
(bijv. interdisciplinariteit, maatschappelijke impact, samenwerking)
Stap 9 – Probleemanalyse (kritisch)
Benoem concreet:
- waar activiteiten niet aansluiten op prestaties
- waar niveau niet klopt
- waar samenhang ontbreekt
- waar studenten onvoldoende voorbereid worden op toetsing
Wees precies en vermijd algemene formuleringen.
Stap 10 – Herontwerp (VERPLICHT)
Herschrijf:
- minimaal één onderwijsactiviteit
Zorg dat:
- deze wél aansluit op prestaties en indicatoren
- het juiste niveau zichtbaar is
- Miller correct wordt toegepast
- deze voorbereidt op toetsing
Stap 11 – Eindbeoordeling
Geef een oordeel over:
- didactische kwaliteit
- samenhang
- niveau
- bruikbaarheid in de praktijk
-------------------------
APA VERWIJZINGEN (VERPLICHT)
-------------------------
Gebruik in de tekst:
- Thijs & Van den Akker (2009)
- NVAO (2018)
- Miller (1990)
- Vereniging Hogescholen (2021)
- WHW
Alle verwijzingen:
- in de lopende tekst
- correct volgens APA
-------------------------
STIJL
-------------------------
- schrijf in vloeiende, doorlopende tekst
- vermijd opsommingen
- wees analytisch en kritisch
- gebruik eenvoudige, concrete taal
- geen algemene feedback
-------------------------
BELANGRIJK
-------------------------
- Dit is een analyse en verantwoording, geen samenvatting
- Als iets ontbreekt: benoem dat expliciet
- Als iets niet controleerbaar is: zeg dat
- Doe geen aannames zonder onderbouwing